‘Groenten uit Balen’ : beter met Crets!

Het mag dan meer dan 1000 keer zijn opgevoerd en jarenlang op de lijst van de verplichte schoolliteratuur hebben gestaan, weinigen die nog weten waar het stuk van Walter van den Broeck, dat intussen bijna 40 jaar oud is, over gaat. We zullen het u verklappen.  Het gaat over een staking bij de zinkfabriek Veille Montagne en de gevolgen daarvan voor het arbeidersgezin van Jan Debruycker.  Hij werkt in de fabriek en woont in een citéhuisje in Balen, dat ook onderdak biedt aan zijn vrouw, zijn dochter en aan de opa. De prangende financiële situatie van het gezin en het gedrag van de dochter zijn maar enkele van de redenen waarom het er soms nogal heftig aan toegaat ten huize Debruycker.  De heer des huizes is niemand minder dan Stany Crets.  Niemand met meer ervaring. Ervaring die hij heeft opgedaan op het kleine scherm. We mogen dan al de indruk hebben dat hij al jaren meedraait in de Vlaamse films, we zien hem veel te zelden in films die een verschil maken.  Goed dat hij in ‘Groenten uit Balen’ eindelijk nog eens voluit zijn kans mocht gaan.  De film is er alleen meer beter van geworden.  En hij wordt omringd door gezichten die nieuw zijn of net als het zijne, veel te weinig gezien.  En allemaal acteren ze op hoog niveau.

 

Het was hoog tijd dat we u nog eens in een substantiële rol in een film aan het werk zagen.  Eerlijk gezegd is het van ‘Alles Moet Weg’ geleden dat u nog een belangrijke rol in een belangrijke film hebt gespeeld.

“Je kiest daar niet zelf voor.  Natuurlijk wil ik best meer aanwezig zijn in de Vlaamse film, maar men beslist anders.  Als de aanbiedingen niet komen, dan ga je je dagen op een andere manier vullen.   Het is zeker niet zo dat ik tal van kansen heb afgeslagen. Ik zeg niet neen.  Ik zat gewoon te wachten tot iemand eens zou zeggen: ‘Damned, dat was ik nu helemaal uit het oog verloren, dat hij niet alleen in jarretellen paradeert en musicals regisseert.’ En bij deze is dat gebeurd.  Dus ben ik heel blij.”

Maar is het niet doordat je met zoveel andere zaken bezig bent, dat ze je niet vragen?

“Nee.  Als ze je echt willen, dan is het geen kwestie meer van agenda’s. Dan ga je beiden schuiven met de agenda’s. Nee, er was echt niets.  En daarom heb ik op een gegeven moment besloten om dan maar zelf ‘Oud België’ te schrijven.  Om te laten zien dat ik ook ernstige rollen kan spelen.  En dat heeft er ook wel een beetje voor gezorgd dat Frank iets had van : ‘O ja, fuck!  De Stany!’  Soms moet je je geluk een beetje forceren (lacht). Ik krijg mijn dagen wel gevuld, daar niet van, maar je hebt inderdaad soms wel het gevoel : het wordt tijd dat er nog eens een rol langskomt die je min of meer terug op de kaart zet.  Een rol die je er zelf aan herinnert wat oorspronkelijk de bedoeling was (lacht).”

En is deze rol dan de sleutelrol die een nieuwe wending aan je carrière zal geven?

“Dat kan, maar het kan evengoed van niet.  Het zijn nog altijd de regisseurs en producenten die beslissen met wie ze werken. Ik ben in ieder geval heel tevreden over wat ik in deze film heb gedaan.  Meer kan een mens niet doen. Je kunt dan alleen maar hopen dat er veel regisseurs, producenten of scenaristen zullen zijn die me aan het werk zullen zien en dat ze zullen denken : ‘Potverdikke, die waren we efkes vergeten!’”

“De dreiging is nu nog groter dan toen.  En de vijand is onzichtbaar.  Het gegeven is meer dan ooit actueel.”

De film toont een momentopname uit het leven van een arbeidersgezin dat in een staking betrokken geraakt.  Een grote ontknoping is er niet. Het is meer ‘tranche-de-vie’.

“Het is meer dan een tranche-de-vie.  Toen ik de film voor het eerst zag, hoorde ik me aan het einde zeggen, , terwijl mijn personage weer eens een brief aan de koning aan het schrijven is : “Doe de groeten aan de koning, aan de minister van financiën, en zeg maar ‘tot in de tweede ronde’.  Hij zal wel weten wat ik bedoel.”  Ik dacht : dat is het, de tweede ronde is nu. Het is gewoon een zeer actueel gegeven en een waarschuwing bijna.  Nu lijkt de dreiging nog groter en is de vijand meer onzichtbaar en abstracter.  Maar wil er nu echt massaal protest uitbreken, dan leidt het wellicht tot een wereldbrand.  En toen was het protest zeer lokaal. Als je bedenkt dat het verhaal dateert van begin de jaren zeventig, kan je alleen maar concluderen dat het zeer visionair was.”

 

Alleen is het nu wel een beetje naïef om de straat op te komen en te betogen.

“Maar toen was het niet ouderwets natuurlijk. Je kon nog gaan praten met je lokale bankdirecteur en een herschikking van je lening krijgen.  En ‘Meneer Doktoor’ was ‘Meneer Doktoor’.  Als je nu voor een lening naar de bank gaat, dan word je dossier inderdaad doorgestuurd naar Brussel en komt het terecht bij iemand die je van haar noch pluimen kent. Je kunt met niemand nog van man tot man klappen.  In die tijd werd er rechtstreeks onderhandeld met de bazen.  Nu moet je het vliegtuig naar Peking nemen, wil je nog met je bazen spreken. In die zin was het toen niet naïef.  Als je nu met dezelfde wapens wilt gaan strijden, is het wel naïef.  Dus zijn acties op grotere schaal nodig. En wat gebeurt er dan?  Europa stort in (lacht).”

 

Had jij nu zelf het gevoel dat dit een verhaal was dat nu verteld moest worden?

“Moest verteld worden?  Ik weet het niet.  Ik ben in ieder geval een fan van Walter Van den Broeck zijn manier van schrijven en vertellen.  Ik heb het stuk nooit opgevoerd gezien, maar ik kende het wel en ik heb veel van Walter zijn geschriften gelezen. Ik heb me altijd heel erg kunnen vinden in de manier waarop hij drama en komedie laat samengaan. Van het moment dat ik hoorde dat Frank het stuk ging verfilmen, had ik het gevoel dat dit een rol was die ik moest spelen. Dat gevoel had ik indertijd ook bij ‘Alles Moet Weg’. Zo van : ik moet dat spelen.  En dan speel je dat ook, blijkbaar (lacht).”

Misschien moet je dat wat vaker voelen?

“Soms weet je niet wat ze gaan draaien, heb je het scenario niet gelezen. Maar als het om boekverfilmingen gaat, weet je aan wat je je kunt verwachten. Het boek had ik gelezen, het stuk, en dan weet je waar je achteraan gaat. Niet dat ik er specifiek achteraan gegaan ben, maar je laat wel je interesse blijken.”

“In 1971 was ik 7 jaar oud en mijn vader leefde toen nog net.  Als ik tijdens de opnamen in de spiegel keek, zag ik hoe hij me aankeek.”

In welke mate heb je je personage nog zelf mogen of kunnen invullen?

“In grote mate eigenlijk. Van het moment dat je begint te lezen, merk je dat het nog verschillende kanten kan uitgaan. Je zit met dat Kempens dialect, met die sociale klasse ook, dus je kunt er heel makkelijk ‘over’ gaan, de geestige toer opgaan en pistes volgen waarmee het verhaal echt niet geholpen is.  En dat wil je niet. Je bent in het begin sowieso altijd wat onzeker als acteur.  Dus doe je voorstellen aan de regisseur : ‘Frank, is dit het wat je wilt? Of moet het iets meer zijn?’ Het is natuurlijk eigen aan iedere goeie regisseur dat hij je in de waan laat dat je het allemaal zelf verzonnen hebt, maar ik heb toch het gevoel dat ik mijn personage heb helpen modelleren.  Je zoekt aanknopingspunten terwijl je bezig bent. Je denkt bijvoorbeeld na over hoe die man eruitziet.  Als je kostuums aan het zoeken bent, probeer je al eens een snor uit of je zet een pet op en beetje per beetje zie je je personage tot leven komen. Op een gegeven moment kwam ik uit bij een beeld dat heel erg leek op mijn vader, op de ene of andere manier. In 1971 was ik 7 jaar oud en mijn vader leefde toen nog net.  Ik moest het stellen met de beelden die ik van hem bewaard had.  En als je dan jezelf ziet ‘met een klak op en een kabaske in je hand, met je sjaal en je veston’, dan kan je niet anders dan denken: ‘dat is mijn vader.’  En daar hou je je dan aan vast.  Dat is een basis waar je op de ene of andere manier mee verder kunt. En er zijn nog wel dingen waarvan je denkt : ‘daar ben ik blij om’ of ‘goed dat ik die scène in die richting heb geduwd’.  En Frank heeft dat toegelaten. Als het niet goed was geweest, had hij het ook wel gezegd.  Dat is samenwerken hé.”

“Dat was zo’n scène waarvan ik dacht : Die mag op mijn palmares!’

 

Het is even wennen om Stany Crets in de huid van een ontroerend en teder personage te zien.  Hoe moeilijk was het voor jou om dat personage naar buiten te brengen?

“Er zijn zo een aantal scènes die wat dat betreft een extra-uitdaging waren.  Ik denk in de eerste plaats aan de Velpon-scène (nvdr : Germaine, zijn dochter, is kassierster en steelt op een gegeven moment een tube Velpon in de winkel waar ze werkt). Na afloop dacht ik meteen : ‘Die mag op mijn palmares!’  Ik vind dat we daar alle drie heel sterk werk leveren (nvdr : Evelien Bosmans en Tiny Bertels zijn z’n tegenspeelsters in die scène). Dat was een memorabele draaidag ook. Omdat je op voorhand weet dat dit een scène is die je niet zomaar kunt laten gaan.  En we zijn daar met zijn drieën, met Evelien en Tiny, echt zwaar voor gegaan.  Het is ook opletten dat je niet overdrijft, want dan wordt het een ordinaire ruzie.  Eigenlijk gaat het erover dat hij zijn dochter zo graag ziet, dat hij niet kan aanzien hoe ze zichzelf pijn berokkent.  Als je daar aan begint, weet je wat je wilt.  Je zegt tegen jezelf : ‘Ik wil het klein houden, ik wil dat ze huilen in de zaal, ik wil dat hier iets gezegd wordt over vader-dochter-vrouw-verhoudingen.’  Dat alles in een scène die uiteindelijk maar twee, drie minuten duurt. Het was heel fijn om te zien dat we alle drie beseften hoe cruciaal die scène wel was.  Want tijdens de opnamen duurt het wel even voor alle shots voor zo’n scène zijn ingeblikt.  We hebben mekaar daar zo hard in geholpen.  Als de camera op Evelien gericht was, gaven we even veel aan haar als zij omgekeerd aan ons gaf in het tegenshot.  En dat was fantastisch.  Dat was één van de mooiste draaidagen die ik ooit heb meegemaakt. En als je dan het resultaat ziet, dan weet je : het was de moeite.”

“Acteren is een vak hé.  Je weet hoe je de dingen moet aanpakken, maar je haalt het ook allemaal ergens vandaan.  Ik zie mijn dochter van twee daar binnen zestien jaar al staan : ‘Papa, ik heb een pakje bij.’ Ja, dan zou ik het toch ook even allemaal niet meer weten. En het helpt om daar aan te denken. Om zo’n scène levensecht te maken.”

In de Velpon-scène horen we jouw personage zeggen : ‘We zijn stommekloten omdat ze stommekloten van ons gemaakt hebben.’ Als je die tekst toepast op de crisis waarin we vandaag verwikkeld zijn,…

“…dan blijft het juist hetzelfde. Er is niets veranderd. Vroeger was het het patronaat en de katholieke kerk die iedereen knechtte en nu zijn het de banken en de grote bedrijven die hetzelfde doen. ‘Hou het volk maar dom,’ daar komt het eigenlijk altijd weer op neer. Ze gooien af en toe eens een bot in het kot en de massa is weer content. Er is geen verschil.  We zijn dommekloten omdat ze dommekloten van ons gemaakt hebben. Dat is gewoon zo. En van het moment dat je niet een ambitie of een motivatie of een durf of een talent hebt dat je uit dat milieu lostrekt, dan blijf je ter plaatse trappelen. Dat is het verhaal van die Germaine natuurlijk.  Haar liefje, die stomme student die zegt : ‘Ik wil hier wel in de fabriek komen werken’, wil alles doen om bij haar te zijn. Ze zou zich daar bij kunnen neerleggen. Dan heeft ze een gelukkig getrouwd leven, met een kindje en alles er op en er aan, en is er niets aan de hand. Of je kunt zeggen : ‘Niet met mij, ik ben weg,’  met alle consequenties vandien. Dus neen, om nog eens terug te keren op de vraag of het meer is dan een tranche-de-vie.  Ja, het gaat ook over iemand die vecht voor haar toekomst, die een beter leven wil dan haar vader en haar moeder en daar offers voor wil brengen.  Ze doet het voor zichzelf, maar ook voor haar kind.  In die zin gaat de film ook weer over liefde, zoals alle films.  Tenzij ‘Terminator’ misschien.  En ik ben er zeker van dat James Cameron ons kan laten geloven dat ook die film over liefde gaat.”

“Evelien Bosmans, dat meisje spat van het scherm. En het is dan ook nog eens een hele goeie actrice!”

Misschien moet in de promotiecampagne wel beklemtoond worden dat het een liefdesfilm is. Want hoe moet ‘Groenten uit Balen’ aan de man gebracht worden?  Meisjes van zestien zullen niet meteen warm lopen voor een verhaal over een fabrieksstaking in de jaren zeventig.

“Ik heb daar zelf niet bij stilgestaan tot ik de reacties zag op een vroege vertoning van de film voor het Davidsfonds.  Dat was een onbevooroordeelde zaal, maar ik kreeg daar zoveel reacties, het publiek was zo mee, dat ik de indruk kreeg dat er een ‘Daens’-achtig fenomeen aan de gang was.  Producent Eric Wirix hoort het me niet graag zeggen, want hij vrees dat ik daarmee een vloek over de film uitspreek.  Maar het viel gewoon op dat het publiek aangegrepen was door het verhaal. En dat was bij ‘Daens’ op een gegeven moment ook het geval: de arbeidersbeweging, de socialisten…  Datzelfde sociale gegeven zit ook in deze film, dat ik me heel goed kan voorstellen dat mensen die in 15 jaar niet meer naar de cinema geweest zijn dit ook zullen willen zien.  En in het zog daarvan hun kinderen.  Dat is misschien heel optimistisch gedacht, maar ik denk dat die kans erin zit.  Dat er iets groeit rond de film.  Raar genoeg.  Ik had het vooraf ook niet kunnen voorspellen. Het is alleen door hem nu te zien in een zaal met mensen die vooraf van niets wisten.”

 

Ofwel is het een film voor het Davidsfonds.

“Kan natuurlijk ook.  Maar snap je een beetje wat ik wil zeggen?”

 

Ja, ik snap het.  ‘Hasta La Vista’ bijvoorbeeld ook zo’n film die barrières heeft doorbroken. Het is een film over drie gehandicapten die naar de hoeren willen, maar al vlug gingen zowel bejaarden als hele horden tienermeisjes kijken.

“Inderdaad, dat was ook lang geen conceptfilm, geen film die je in de markt zet met de gedachte : ‘dat is voor de tieners’.”

 

En dat kan evengoed met ‘Groenten uit Balen’ gebeuren.  Het meisje dat uw dochter speelt, Evelien Bosmans…

“…spat gewoon van het scherm hé.  Natuurlijk. Niet alleen spat ze van het scherm, het is ook een heel goeie actrice.”

 

En dan is er de regisseur, Frank Van Mechelen. Als we de Vlaamse regisseurs van tegenwoordig noemen, dan hebben we het over Michael Roskam, Hans Van Nuffel, Felix Van Groeningen, Geoffrey Enthoven, Hans Herbots…, niet over Frank Van Mechelen.  Terwijl hij in het verleden ook ‘De Hel van Tanger’ en ‘De Indringer’ heeft geregisseerd.

“Qua beeld en stijl is hij geen vernieuwer.  Je zit niet verbaasd te kijken naar zijn kaders of naar de flitsende montages.  Hij zal me niet kwalijk nemen dat ik dat zeg. Frank is meer een regisseur die zich de vraag stelt hoe hij het verhaal kan vertellen zonder zijn acteurs als marionetten te gebruiken en zonder allerlei filmische trucjes toe te passen. Hij is een verteller. Hij haalt geen gekke toeren uit met zijn camera.”

Stilistisch sluit zijn film aan bij de bekende Britse sociale komedies als ‘The Full Monty’ of ‘Brassed Off’.

“Ja, het past volledig in dat rijtje. Je kunt een verhaal ook gewoon vertellen.  En het werkt.  Ik zou niet weten welke fratsen hij nog had moeten verkopen om het verhaal sterker te maken.”

“Hét Kempisch bestaat niet.””

En voor die ene keer dat jij de held mag spelen, is het een een pantoffelheld.

“Ik ben heel blij met die rol. Het is een man die gewrongen zit in een aantal situaties. Hij leeft een leventje zoals zoveel mensen en opeens moet hij een onwaarschijnlijk aantal beslissingen gaan nemen.  Niet gesyndiceerd zijnde moet hij beslissen : ‘Moet ik over de brug of niet?  Moet ik gaan werken of niet? Moet ik een rat zijn?’  Iedereen zit plotseling op zijn nek : ‘Je kunt niet gaan werken!’ ‘Jawel, je moet gaan werken!’ Vervolgens je dochter die binnenstapt met het nieuws : ‘papa, ik ben zwanger.’ Dat wil je niet meemaken als simpele arbeider.  Je komt in complexe, filosofische situaties terecht, waar je alleen maar met je rug tegen de muur staat en niet kunt nadenken.  Je beschikt niet over de middelen om weerwerk te bieden.  Ja, oké, je schrijft af en toe eens een rare brief naar de koning, die dan in de kachel belandt.  Dus het enige dat je kunt doen is af en toe eens hard ‘godverdomme’ roepen en hier en daar iemand een lap geven. Uit onmacht. En dat is natuurlijk fantastisch om te spelen. Het is geen rechtlijnig personage.  Je ziet die man zoeken en het niet weten en schrik hebben en dan weer overmoed. Een cadeau, zo noem je zo’n rol.”

Of dat accent juist zit, kan ik niet inschatten.

“En niemand, denk ik.  Elke hoek die je omslaat, spreekt men anders. Hét Kempisch bestaat gewoon niet. Je zoekt gewoon een consensus. De familie moet toch een beetje in mekaars buurt blijven qua uitspraak en klanken.  En voor de rest, in zo’n fabriek werkt heel de Kempen. Dat maakt niet zoveel uit.  Maar het is niet evident. Want er komen een hele hoop Kempense acteurs in en de ene komt van Turnhout, de andere van Arendonk, de andere van Mol. En zelfs in Mol heb je om de andere straat nog een andere uitspraak.  Maar ik denk niet dat het zo’n vaart zal lopen als bij ‘Het Goddelijke Monster’.  In de Kempen is er meer solidariteit, denk ik (lacht).”

Zie ook :

interview Evelien Bosmans

interview Tiny Bertels

 

 

 

 

 

Bekijk ook

Meltse Van Coillie en Harm Dens over Nocturnus!

Op 2 december gaat het Kortfilmfestival in Leuven weer van start, één van de geselecteerde …