Philip Van Volsem is de D.O.P. van ‘Plan Bart’ en ‘De Honger’

Het was lang geleden dat Philip Van Volsem in België op een filmset had gestaan toen Roel Mondelaers hem vroeg om als D.O.P. te functioneren op de set van ‘Plan Bart’, de film die het langspeelfilmdebuut moet worden van de Antwerpse regisseur die al jaren in Brussel woont en daar eerder dit jaar, in het begin van de grote vakantie, zijn script verfilmde dat hij samen met Hans Van Nuffel schreef.  De film moet een romantische komedie worden.  En dan denk je te snappen waarom hij Van Volsem vroeg.  De man heeft een reputatie voor zijn warm-romantische beeldtaal.  Maar nee, Mondelaers wou iets anders.  Zijn film moest er helemaal niet warm-romantisch uitzien.  Dat was dus niet de reden waarom hij Van Volsem vroeg. En eigenlijk was Mondelaers’ keuze voor Van Volsem echt wel een beetje vreemd.  Van Volsem mag dan destijds het camerawerk gedaan hebben voor ‘Fait d’Hiver’, de oscargenomineerde kortfilm van Dirk Beliën, en in de wereld van de reclame een reputatie hebben van hier tot in Tokio, met de langspeelfilms die op zijn cv prijken, ga je weinig filmliefhebbers bekoren : ‘De Zusjes Kriegel’, ‘Alias’ (van Jan Verheyen) en ‘Plop in de Wolken’.   

Wij hadden een gesprek met Philip Van Volsem nadat hij een lange dag in het Warandepark een scène had gedraaid met Wine Dierickx, Wouter Hendrickx, Jeroen Perceval en Eva Van der Gucht. In openlucht, met heel weinig ondersteunend licht.

 

VAN VOLSEM : “Roel wou eigenlijk iets heel natuurlijks hebben, hij wou het licht niet voelen. Ik sta nogal bekend als iemand die nogal expressionistisch met licht omgaat. Ik zou zeggen : ik ben een Italiaanse cameraman. Dat je het warme licht voelt.  Het romantische licht. En hij vroeg me om totaal iets anders te doen.”

En waarom vraagt hij je dan?

 

VAN VOLSEM : “Omdat we eigenlijk goed kunnen samenwerken. Ik denk dat hij ook gelooft dat ik dat kan. Maar ik was er ook aan toe om eens iets anders te doen. Dat is in het begin zoeken. Het is heel moeilijk om iets tegen je gevoel, tegen je natuur in te doen. Maar zo nu na aan paar dagen, begin ik er een schwung in te krijgen.  Het werkt wel goed. En ik denk dat hij tevreden is. Ik begin er zin in te krijgen. Het is anders dan anders. Heel natuurlijk. We verzorgen wel de gezichten en we brengen wel contrast aan in de scènes, maar over het algemeen beantwoordt het wel aan die rom-com-achtige beelden.  Ik wou het veel Italiaanser maken, veel warmer, er veel meer kleur in steken.”

 

Wat ook gepast zou hebben bij een romantische komedie.

 

VAN VOLSEM : “Ja, maar Roel wou meer een Europese romantische komedie maken, in het genre van een ‘Notting Hill’. Het ziet er allemaal netjes uit, maar het ziet er niet speciaal uit van licht. Zo moet het zijn. Hij hamert erop. ‘Voel ik het licht niet?’ of ‘Zie ik het licht niet?’ wordt mij constant gevraagd. Maar hij beseft ook dat als ik het natuurlijk zou laten, zoals het is, dat het er ook niet zou uitzien. Het is dus constant die balans zoeken.  Niet zo evident.   Je mag ook niet vergeten dat we beperkte tijd hebben, beperkt budget en dat we heel veel moeten draaien.”

 

Hij draait veel hé?

 

VAN VOLSEM : “Hij draait veel ja. Hij zit gemiddeld aan een stuk of acht slates. Dat is veel. Het is zijn keuze. Hij is de regisseur. Hij is wellicht naar iets op zoek in de acteurs dat wij niet meer kunnen zien. Na twee, drie takes zie ik het niet meer.  Maar ik denk dat hij iets zoekt. En soms zie ik het wel, komt na de vijfde of zesde take de sprankel die hij wellicht wil. Het is natuurlijk een acteursfilm, geen film die het van de special effects moet hebben. De chemie moet tussen de acteurs gebeuren. En Roel is ook de auteur hé.  Dat maakt het er niet makkelijker op. Hij heeft waarschijnlijk een heel duidelijk beeld van hoe het moet en dan ziet hij het plaatje en denkt hij wellicht : dat is niet wat ik wou. En dan wordt het een zoektocht. Dat hebben we toch al een paar keer gehad, dat hij echt zoekt. Ik heb bij momenten 20 takes moeten doen. En dat het pas de laatste take is die oké is. Hij werkt heel erg met timing. En ik denk dat als je dat in het geheel van de film gaat zien, dat dat wel gaat werken. Maar het is heel moeilijk, ook soms voor de ploeg.  In Vlaanderen zijn we dat niet gewoon. Gemiddeld drie, vier takes en je moet door. Dat is het verschil. Roel wil veel draaien, wil veel shots hebben, en hij wil ook tijd hebben voor zijn acteurs. Dus dat is een heel moeilijke oefening die wij hier hebben.“

 

“Hij covert heel veel. Het is misschien ook wat zijn televisieachtergrond. Zijn reclameachtergrond ook.  Alles coveren. Dat kan ik in zekere mate  wel volgen. Maar soms staan wij ons af te vragen : ‘Wat staan wij hier nog te draaien?’ Maar hij zal het wel weten. Ik geef hem het voordeel van de twijfel. Ik geloof heel erg in zijn talent en zijn kunnen. Het is natuurlijk een andere manier van werken. Ik heb deze winter een Nederlandse speelfilm gedaan, ‘Midden in de Winternacht’ van Lourens Blok, waar we maar drie of vier takes konden doen. 27 draaidagen en ik had dubbel zoveel te draaien als hier.  Dan zijn er weinig keuzes. Hij had zelf het scenario niet geschreven die jongen,… dus een heel moeilijke opdracht.  Maar nee, wat ik gezien heb van deze film, laat het beste vermoeden.  Veel hangt af van de relatie die Jeroen en Wine moeten hebben. Het is heel moeilijk om een soort liefdesverhouding te creëren zonder in pathos te vervallen.  Soms zie ik de chemie, soms niet.”

 

Het laatste jaar heb je dus twee films gedraaid, die Nederlandse prent en deze.  Maar daarvoor was het tien jaar geleden dat je nog op de set van een langspeelfilm stond.  En dat was toen ook al niet de meest memorabele film : ’De Zusjes Kriegel’.

 

VAN VOLSEM : “Dat was de laatste. En daarna wou ik er geen meer draaien. De scenario’s waren niet goed en de regisseurs vond ik ondermaats.”

 

‘De Zusjes Kriegel’ herinneren weinig zich nog. Of de fotografie memorabel was zullen nog weinigen navertellen.

 

VAN VOLSEM : “Nee, en het klikte niet met de regisseur. Ik denk dat ik met Roel meer dan een maand voorbereiding heb gedaan. Scenariobespreking, uitvoerige découpagebesprekingen, locaties gekozen, we hebben werkelijk van alles samen gedaan. Als je je job als cameraman goed wil doen, ben je gemiddeld 3 tot 3 ½ maand bezig, aan een film van dit kaliber.  Ik zie mijn gezin ook niet. Ik vertrek ’s morgens om kwart over vijf en ben straks ten vroegste om 9 uur thuis. Dan moet het de moeite waard zijn om te doen. Anders ga ik liever reclamefilms draaien.  Dan moet je niet nadenken en ben je veel beter betaald. Want dit is niet riant betaald. Maar je doet het met hart en ziel. Anders moet je het niet doen. Die Nederlandse film was super : gesprek gehad, scenario gelezen. Ik zei : dit ga ik wel aan. Dat is fantastisch meegevallen. Een ongelooflijke ervaring. En toen kwam Roel met zijn film. En ik heb het scenario gelezen : eindelijk een verhaal waar ik eens iets kan van bakken. Roel heeft ambities, maar niet zo van : “Philip, van mij moet het er als een grootse Hollywoodfilm uitzien, maar ik heb wel geen geld.”  Nee, hij is heel realistisch. We proberen het zo goed mogelijk te maken, zo mooi mogelijk, en dat is leuk om te doen. We staan met zijn tweeën met beide voeten op de grond. Nu heb ik heel veel zin. Maar ik ga heel kieskeurig zijn. Ik wil niet meer alles doen wat langskomt.”

 

Je kent hem uit de reclame?

 

VAN VOLSEM : “Ja, van bij Raf (nvdr Reyntjens) en Roel. Ik was niet de eerste keuze. Dat was iemand anders. Maar ik denk wel dat we een goeie ‘match’ zijn. Hij weet dat ik er ook aan trek om het zo goed mogelijk te krijgen.”

 

“ALS JE ZOVEEL TIJD IN EEN FILM STOPT, WIL JE ER EEN BEETJE EER UITHALEN.”

 

En in welke mate ben je bij de afwerking betrokken?

 

VAN VOLSEM : “De kleurafwerking hé. Wat ik meestal doe – ik heb dat bij de vorige film ook gedaan – ik ga naar een premontage kijken, specifiek voor het beeld, geef er mijn visie op en dan trekken ze er hun plan mee.  Hier zal ik de kleurafwerking doen en dan laat ik hen. Ik ben ook een soort van auteur.  Het is niet dat ik een robot ben die achter de camera staat en wat met lampen goochelt. Ik maak deel uit van die film. Dat is de reden waarom ik het graag doe. Als ze me inhuren om mijn kunstjes uit te voeren, dan zoeken ze maar iemand anders.“

 

 

Was dat je conclusie na ‘De Zusjes Kriegel’?

 

VAN VOLSEM : “Ja, dat wil ik allemaal niet meer doen. Ik had de reputatie van een Amerikaansachtige cameraman te zijn die er met relatief beperkte middelen toch nog wel iets van kon bakken. Het werd erger en erger. Soms stond ik met een appel en een ei dingen te doen, terwijl de regisseur stond te schreeuwen : ‘Het moet groter en wijder’. En ik maar zeggen: ‘Onmogelijk’.  Ergens houdt het op. Hier heb ik ook de aankomsthal van Zaventem moeten doen met zeer weinig middelen. Maar Roel luistert wel naar mij. Als ik zeg : ‘Roel, het gaat echt niet,’ dan zoeken we samen naar een oplossing. Dat is lekker werken. Als je zoveel tijd in een film stopt wil je er zelf ook een beetje eer uithalen. Anders ben je gewoon een aapje dat kunstjes uithaalt.  Maar we hebben fantastische dingen gedraaid in Zaventem. Buiten aan de aankomsthal.  Waar je normaal gezien nooit mag draaien. Met auto’s. Met steadicam. We hebben wel productionvalue gehad. Roel en ik zijn dan nog een dagje opstijgende vliegtuigen gaan draaien. Volledige medewerking gehad. Opstijgende vliegtuigen, taxiënde vliegtuigen, alles kon. Maar op andere dagen is het dan vaak weer improviseren. Want de planning is heel ambitieus : we doen 52 locaties aan op 30 dagen. Dat is veel. In een stad als Brussel. We hebben al  iets meegemaakt!  Dat we niet konden draaien : politieauto’s, mensen die door beeld lopen, maar het is ook een ervaring. En we filmen op plekken waar zelden gedraaid wordt. Maar wij wilden absoluut in het hartje van Brussel draaien. Met alle gevolgen vandien.”

 

 

 

Toen Raf en Roel samen reclameclips draaiden, hoe was de taakverdeling toen?

 

VAN VOLSEM : “Herinner ik me niet meer zo goed.  Ik denk dat Raf meest met het beeld bezig was en Roel met de acteurs. Het is al ruime tijd geleden.  Ik heb heel veel met duo’s gedraaid en als cameraman zit je er altijd tussenin. Word je helemaal gek van. Er zijn er weinigen die bijeen blijven. Ze gaan allemaal uiteen.  Ze moeten het geld ook door twee delen.  Met Raf en Roel ging het goed.  We hebben een paar goeie dingen gedaan.”

 

“EEN REGISSEUR MOET WETEN WAT HIJ WIL, EN AAN ZIJN PLAN VASTHOUDEN.”

 

En is Roel nu vertrokken als langspeelfilmmaker?

 

VAN VOLSEM : “Het scenario dat Roel nu geschreven heeft is een verhaal dat heel vlot leest.  Ik geloof er heel erg in. Ik denk dat het een verhaal is dat heel veel mensen zal aanspreken. Als scenarist is Roel iemand van wie ik nu al kan zeggen dat hij een veelbelovende toekomst heeft.  Echt, ik vind dit scenario heel goed geschreven. Er valt relatief weinig op aan te merken. Buiten dat het wat dun is. Het is een verhaal dat al tientallen keren verteld is, maar niet in Vlaanderen. Het is toch voor de Vlaamse markt.  Wat hij als langspeelfilmregisseur voorstelt, valt nog af te wachten.  Dat zullen we pas kunnen zeggen als zijn film af is. Hij eist soms dingen waarvan ik zeg : ik zou dat anders doen. Maar hij is wel to the point. De toekomst zal het uitwijzen.  Ik heb net een kortfilm gedaan met Benoit De Clerck (nvdr : ‘De Honger’). Ik had in geen jaren nog een kortfilm gedaan. En in het begin dacht ik : ‘wat een weirdo’. Maar na dat filmke ben ik hem gaan zeggen : ‘Chapeau, ik neem mijn petje af voor u.’ Ik ben 45 jaar. Ik sta al mijn halve leven achter een camera, dubbel zolang als jij en jij komt me zeggen : ‘neen, het moet zo.’  En hij blijkt gelijk te hebben. En uiteindelijk denk ik dat we een heel goeie kortfilm gedraaid hebben. In zijn genre. Ik had de opdracht aangenomen omdat Gerd Embrechts me zelf gebeld had. Het is Cri de Coeur, het productiehuis van Gerd, dat de film produceert. Ik had daar eigenlijk niet meteen zin in. Maar ik heb het toch aangenomen, een gesprek gehad met Benoit en toen heeft hij me het verhaal uitgelegd – want dat scenario, daar kon ik kop noch staart aan vinden.  Maar toen we aan het draaien waren, trok ik zulke ogen van verwondering. Op allerlei vlak. Hij had niet alleen een sterke visie, maar vooral ook een heel sterke wil. Iets willen is moeilijk als regisseur. Want je staat daar met een set vol mensen die het allemaal beter weten en je moet iets willen. En hij wil het.  Hij wil iets en hij weet dat hij er niet van zal afwijken. En dat is goed. Een regisseur moet niet alleen met acteurs omgaan. Je moet weten wat je wil en je moet vasthouden aan je plan. Er zijn heel veel regisseurs die maar wat staan aan te lummelen : ‘Ja, we zullen dan maar zoiets doen zeker?’ Nee. Ik heb altijd zoiets van : we gaan eerst de film bekijken en dan oordelen. Maar zoals het er nu uitziet, zal het wel oké worden.”

Het blijft hoe dan ook een film met een klein budget die snel moet gedraaid worden.

 

VAN VOLSEM : “Het is jammer dat we films in Vlaanderen met zo weinig geld moeten draaien. Buiten Jan Verheyen, dat is de enige die geld heeft.  Vijf draaidagen erbij, dat zou het leven comfortabeler maken.  Ik heb maar twee belichters en één machinist. Ik zou minstens drie belichters nodig hebben en een assistent machinist. Zelfs twee belichters bij. Dan kan je heel snel turnarounds doen. Het is niet dat die jongens dat niet aankunnen, maar als je een tegenshot moet draaien, ben je al vlug een half uur verder voor je hebt omgebouwd. Waarom kan men op grote films snel ombouwen?  Omdat ze gewoon veel volk hebben. Je moet ook de tering naar de nering zetten. Ik heb nog iets meer in de vrachtwagen zitten, maar als ik dat laat uithalen, dan krijgen die jongens dat niet meer gebolwerkt. Wij hebben onderling de afspraak gemaakt : zeg me tot waar je wilt gaan. Ik push natuurlijk the envelope, maar ergens moeten zij zeggen : ‘Hier stopt het.’ Dat vind ik wel jammer : we hebben goeie verhalen in België en goeie regisseurs en we moeten altijd met een appel en een ei draaien. Als de Amerikanen of de Britten naar hier komen, krijgen ze wel de volle pond. Jammer.”

“Dat neemt niet weg, ook met beperkte middelen kan je een goeie film maken : een goed verhaal, goed gespeeld. Dan is de rest bijkomstig. Of je nu twee travellings kunt leggen of één, of het nu goed uitgelicht is of niet. Dat is maar bijkomst.  Het is al heel vaak bewezen dat films die er minder goed uitzien het beter doen in de bioscoop dan de films die er fantastisch uitzien.Dus dat is ook de insteek waarmee ik te werk ga. Een beetje water bij de wijn doen. En soms nog een beetje. Om het gewoon gedraaid te krijgen. ‘Billy Eliott’ bijvoorbeeld heb ik altijd een heel goed voorbeeld gevonden van een heel geslaagde film, die met relatief weinig geld gemaakt is, die er niet fantastisch uitziet, maar wel door een zeer ervaren cameraman gedraaid en die film heeft een flow. Maar je voelt heel erg de beperking van alle kanten. Maar als je dat kunt meegeven aan een film, je ervaring kunt inzetten, dan zit je wel goed.”

Zie ook :

Roel Mondelaers over ‘Plan Bart’

Cinevox bioscoopjournaal op de set van ‘Plan Bart’

Opnames ‘Plan Bart’ gestart

Roel Mondelaers over 2013

 

Bekijk ook

Lukas Dhont naar de Oscars!!

Close van Lukas Dhont is genomineerd voor de Oscar voor Beste Internationale Speelfilm. Dat maakte …