Home / Nieuws / Binnenkort / Regisseurs Emma De Swaef en Marc Roels over ‘Ce Magnifique Gâteau’: “Wij zijn Belgen, dus surrealisme zit in ons bloed”

Regisseurs Emma De Swaef en Marc Roels over ‘Ce Magnifique Gâteau’: “Wij zijn Belgen, dus surrealisme zit in ons bloed”

Twee jaar in bibliotheken en archieven. Acht maanden non-stop poppen te bouwen. Drie maanden prutsen aan een miniatuur van de Koninklijke Serres, voor één shot. Dat Emma De Swaef en Marc Roels tot het uiterste gingen voor ‘The Magnificent Cake’, is nog een understatement. Maar dat het resultaat al even uitzonderlijk is, ook. “Wij streven niet naar perfectie, maar authenticiteit.”

De meest bekroonde Vlaamse kortfilm aller tijden. Met die titel ging ‘Oh Willy’, de eerste stop-motionkortfilm van Emma De Swaef en Marc James Roels, de geschiedenis in. Dat nog eens overdoen met ‘Ce Magnifique Gâteau!’ leek onmogelijk, maar kijk: inmiddels regende het al prijzen in Toronto, Annecy, Zagreb en Ottawa,  en werd de film vertoon op de tienjarige editie van de Quinzaine des réalisateurs in Cannes. Last but not least wordt het ook nog een van de eerste kortfilms die in ons land op een echte cinemarelease mag rekenen, in een programma met de andere animatie-kortfilm ‘Bloeistraat 11.’

Al is kortfilm in dit geval bijna een misplaatste term – de film klokt af op 44 minuten. Impressionant, zeker als je bedenkt dat een doorsnee draaidag zo’n 5 à 10 seconden film opleverde. Tel daarbij hun perfectionisme om bepaalde scènes zelfs meerdere keren volledig opnieuw te draaien, en je beseft wat een monnikenleven het koppel de afgelopen maanden én jaren leidde. Pauze nemen deden ze enkel om het stressmannetje van De Lijn en het figuurtje van Tiense Suiker te ontwerpen, en dat dan louter om de financiering van de film rond te krijgen.

Het resultaat past perfect in de esthetiek die het duo met ‘Oh Willy’ al neerzette, dankzij de uitsluitend wollen poppen en vilten sets voor de camera. Spilfiguren zijn dit keer vier Belgische antihelden, die elk om hun eigen redenen het geluk zoeken in Congo. Wat volgt is niet zozeer een politieke aanklacht, wel een kluwen van surrealistische hersenspinsels (een man die verliefd wordt op een slak, bijvoorbeeld), absurde arrogantie en véél drank. “Die hele situatie in Congo was dan ook ontzettend absurd”, lacht het duo terwijl we aan hun werktafel aanschuiven in hun nieuwe stek te Antwerpen. “Ook voor ons ging er een totaal nieuwe wereld open.”

Waarom kozen jullie voor de setting van Belgisch-Congo?

Emma: Als je een poppenfilm maakt over een heel lieflijk onderwerp, wordt het al snel iets voor kinderen. De stijl van onze films is net erg geschikt om ambigue onderwerpen aan te pakken. Onze vorige film was gefilmd in een naturistenkamp: je kan meer tonen, zonder mensen toch hard te choqueren.

Marc: Zeker naaktheid heeft in een live action film altijd een hardere impact. Hetzelfde geldt voor een schilderij met naakte mensen: dat heeft minder die pornografische factor dan een film waarin je plots genitaliën ziet.

Emma: We willen natuurlijk niet de feiten verzachten. Het is een confronterende film om naar te kijken. De personages zijn heel herkenbaar, al is er niemand waarin je je wil herkennen. Dat is geen leuk gegeven. Maar doordat het esthetisch anders is, willen mensen er toch naar kijken.

De kolonialisten in de film zijn inderdaad allemaal losers. Hoe komt dat?

Marc: We hebben allebei ‘Voyage au bout de la nuit’ gelezen, van Louis-Ferdinand Céline. Dat speelt zich ook af in een Franse kolonie. Een element dat ons triggerde, is dat wie naar de kolonies trok niet de meest nobele figuren waren. Eens daar, dronken ze zich te pletter omdat ze het klimaat niet aankonden, of namen ze veel medicatie tegen de ziektes en koorts. Iedereen leefde in een soort koortsdroom. Dat vonden we een boeiende setting, om te tonen wat er met een mens gebeurt eens hij weg is uit de sociale controle.

Emma: 95% van de films in de cinema gaat al over helden. Verlichte geesten die in opstand komen, vechten tegen het onrecht. Waar zijn de antihelden? Waar zijn de echte mensen?

Wat willen jullie daarmee vertellen over de Belg vandaag? Hebben we een collectief alcoholprobleem?

Marc: Dat was niet per se het punt (lacht).  Die kolonisten hadden vooral weinig te doen, daarom dronken ze zoveel. Dat lokte allerlei interacties uit met de inheemse bevolking. De typische arrogantie van dronken mensen. Dat was wel nuttig om bepaalde verhalen te vertellen.

Emma: Drinken is ook je problemen ontvluchten, dingen niet willen zien. Dat geldt voor veel personages: er gebeurt veel, maar ze zien het niet. Maar ook voor de Westerling vandaag. Ik denk dat er nog veel dingen zijn, die wij nu niet onder ogen hoeven te zien. Waar komt je Iphone vandaan? Of onze kleren? Onze maatschappij heeft nog altijd dezelfde mechanismen. We zijn niet allemaal helden. Iedereen zegt dat hij heldhaftig zou zijn, maar uiteindelijk is dat niet zo.

Vinden jullie dan dat er niet genoeg films zijn over onze koloniale geschiedenis?

Emma: Toch wel, ja. In Amerika wordt er veel gedaan rond slavernij, maar over de Europese koloniale geschiedenis niet. Zeker de Belgische ligt erg gevoelig, het blijft te confronterend. Daarom hinten we enkel naar Leopold II, maar maken we die context nooit specifiek. Anders moet je heel documentair werken. Dan wordt het een historische film. Dat wilden we vermijden, het mocht universeler. Nu is het een zachte opening van die conversatie.

We waren ook erg geïnspireerd door een fotoboek van Carl De Keyser. Hij verzamelde foto’s uit het Museum voor Midden-Afrika. Daardoor beseften we: hoe weinig weten we hierover? Hoe weinig werd verteld op school?  Het was een fascinerend onderzoek. Naar de Albertinabibliotheek gaan, in archieven graven, dagboeken lezen. Zelfs in de bibliotheek staan ze meestal niet in de rekken. Omdat ze zo politiek incorrect zijn, denk ik.

Zijn alle personages uit de film dan ook uit de research geënt?

Marc: Het was een evenwichtsoefening om weg te blijven van het té historische. Die research moest een springplank zijn, niet iets dat elke scène voedt. We wilden geen beelden tonen die al honderd keer getoond waren. Wel letterlijk uit de research komt het moment dat aan elkaar vastgeketende Pygmeeën een voor een van een brug vallen. Andere dingen worden uitvergroot. De pygmeeën droegen de assenbak bijvoorbeeld op hun hand, niet vastgebonden op hun hoofd. De titel komt dan weer wel van een echte uitspraak van Leopold II: hij vergeleek Afrika met een taart, waarvan hij een stuk wou.

De film is erg surreëel. Wat willen jullie daarmee duidelijk maken?

Emma: Wij zijn Belgen, dus surrealisme zit in ons bloed. Maar verder zit er geen intellectuele reden achter. Maar in alle research kom je zo’n surrealistische toestanden tegen. Hoe de Belgen zich gedroegen tegenover de zwarten, is soms heel absurd.

Marc: Wij zijn nog altijd stopmotion-filmmakers. We hoeven ons niet te houden aan de wetten van de fictiefilm. Dat is de kracht: je kan gemakkelijk van een herkenbare wereld naar iets heel absurds springen. In live action heb je daarvoor een green screen of CGI nodig. Een weids junglelandschap kunnen wij creëren zonder een groot budget of logistieke problemen.

Emma, jij ontwierp alle poppen zelf. Hoe gaat dat in zijn werk?

Meestal begin ik in het atelier, met het hoofd. Daar staat er trouwens eentje (wijst naar een kleine buste op haar bureau). Daarop zet ik dan wol, en alle haartjes. Als ik het gevoel heb dat de pop genuanceerd genoeg is, maak ik een tekening van het hele lichaam. Dat gaat dan naar de poppenmakers in Bretagne, die een structuur maken. Wij zijn daar acht maanden lang zelf geweest om dat samen met hen te doen. We kunnen moeilijk loslaten (lacht). Dan wordt er een mousse rond gezet, en maken we kostuums. Het is een veel eenvoudigere techniek dan bij Tim Burton of Wes Anderson. Tot op het eind kunnen we nog dingen aanpassen. We maken ook veel tekeningen om uit te proberen. Zo’n pop hangt sterk samen met wat hij doet in de film. Tijdens het schrijven veranderen we ook de pop. Eigenlijk gebeurt de casting tijdens het schrijfproces.

Hoe is de passie voor poppen maken eigenlijk ontstaan?

Emma: Ik maak al mijn hele leven poppen. Toen ik klein was verhuisde ik met mijn ouders naar een boerderij. We hadden daar veel schapen en dus ook wol. Mijn vader maakte daar tapijten mee, en ik breide veel. Ik zat nog op een katholieke school waar dat erg belangrijk was. De meesten hielden niet van die lessen, maar ik wel. Tegen het einde van mijn middelbare studies, twijfelde ik zelfs tussen textielontwerp of film. Nu combineer ik beide.

Marc: Toen Emma en ik begonnen samenwerken, hebben we stopmotion samen ontdekt. We wisten er alletwee niets van. Onze eerste film was geen stopmotion. Gewoon poppen in poses, en daar dan shots van. Per film kwam er meer beweging in.

Wat zijn de voordelen van wol als materiaal?

Emma: Het is een vergevend materiaal. Ik ben niet zo’n precies iemand, en wol maakt lijnen zachter. We brengen er ook realisme in, maar eerder in de uitdrukking. We proberen ze telkens expressiever te maken. Deze keer door voor het eerst met dialogen te werken. Dat was een uitdaging, om de monden te doen bewegen.

Marc: Het was geen bewuste keuze om iets anders dan anders te doen. Het waren gewoon de poppen die Emma altijd al maakte. In de toekomst blijven we er zeker bij. Er zijn nu trouwens veel mensen die nu met wol werken in stopmotion. We krijgen regelmatig mails ‘heb je dat gezien, ze doen jullie na!’

Emma: Wat wel begrijpelijk is, want het werkt goed op camera. Vroeger was plasticine heel hip, in navolging van ‘Wallace and Grommit’. Na Tim Burton zag je overal de latex siliconen. En nu met Wes Anderson zie je dat iedereen terugkeert naar een ouderwetse look in poppen. Computerbeelden worden zo goed, dat mensen beseffen dat je dat niet zomaar moet nadoen. Je moet je eigen weg ingaan, authenticiteit nastreven in plaats van perfectie.

Is het een uitdaging om telkens een manier te vinden om iets uit te beelden, zoals pakweg water?

Emma: Enorm! We hebben geen geld om een volledige set af te maken, met alle bomen bijvoorbeeld. We hebben telkens modules met een paar bomen, een paar muren, een paar stoelen. Het kost ons vier of vijf uur om een set op te bouwen. Elke keer denken we na twee uur dat het nooit zal lukken. Dan ziet het er zo slordig uit, zo amateuristisch. Je ziet de lijmresten nog, en denkt: niemand zal dit geloven. En toch is er altijd wel een oplossing.

In totaal werkten jullie twee maanden nonstop aan de film. Hoe houdt een mens dat vol?

Emma: ik ga niet liggen: dat is zwaar. We willen als eersten in de studio zijn, en gaan als laatsten weer weg. Je komt dan om 23h terug thuis van de studio, je slaapt en wordt wakker met je hoofd nog half in de set. ‘Die lamp staat niet juist!’

Marc: Bij onze vorige film draaiden we gedurende vier maanden. We dachten toen: dit is onze limiet, meer kan écht niet. Maar je vindt ergens toch een ritme. Het is ook een mentaliteit. Je bereidt je voor op een marathon.

Hoe krijg je een dergelijk project gefinancierd?

Emma: De film kost effectief meer dan een live action film. Per minuut is hij nu even duur, maar dat komt puur doordat we zelf zoveel gratis gewerkt hebben. Normaal is het drie keer zoveel. We hadden gelukkig veel steun van het VAF, en ook uit Frankrijk en Nederland kregen we geld. We hebben ook eigen spaarcenten opgehoest. Maar al bij al is er in België nu wel een goed klimaat voor stopmotion. In Frankrijk ook. Ga daarbuiten, en het is ondenkbaar.

Marc: Nu nog was halverwege de productie het geld op. Tijdens de postproductie hebben we nog andere jobs moeten doen om rond te komen.

De film zit boordevol talen, waaronder ook echte pygmeetaal. Hoe hebben jullie dat voor elkaar gekregen?

Emma: daar hebben we enorm veel moeite voor gedaan! In Europa loopt er geen enkele pygmee rond. Niemand kan die taal, en er is geen geschreven versie van. Gelukkig zijn er één keer per jaar enkele leden van een stam uit Congo die naar Europa komen op concerten te geven. Daarop hebben we gewacht. Eens in de studio begonnen ze direct te zingen. Daarna hebben we de hele dialoog met hen opgenomen. Na die ontmoeting wist ik ook beter hoe die pop er moest uitzien. Ik heb zijn gezicht nog veranderd, en dan hebben we al zijn close-ups opnieuw gedaan.

De film won al allerlei awards, en jullie vorige film ‘Oh Willy’ was zelfs de meest bekroonde Vlaamse kortfilm. Maar wat vonden jullie zelf het allermooiste compliment?

Emma: Waarschijnlijk de tweet van Barry Jenkins (‘Moonlight’). We maakten ons lang zorgen rond de politieke correctheid van de film. Gaan we te ver? Beledigen we mensen? We willen zwarte personages wel tonen, maar wie zijn wij om hen een stem te geven?

Marc: Je weet dat je in gevoelig terrein komt. Zeker onze Amerikaanse distributeur was bang van de reacties van het publiek, omdat het te provocerend zou zijn. In Amerika komt er snel outrage. Ze waren bang voor een shitstorm (lacht) Maar dan was de film dus geselecteerd voor een festival waarvan Jenkins curator was. In een tweet zei hij dat hij de film goed vond. Voor onze Amerikaanse distributeur was het daarmee ook oké. En voor onszelf ook: als Jenkins het snapt, is dat een opluchting. Er kan nog altijd een shitstorm komen, maar als hij aan onze kant staat, hebben we toch iets juist gedaan.

Welke projecten zitten er nu nog in de pijplijn?

 Emma: We zijn nu opnieuw aan het schrijven aan een volgend project. Het enige wat we erover kwijt kunnen is het zich zal afspelen in 16e-eeuws Vlaanderen. Zowat het universum van Breughel. Stopmotion is ideaal om dat op een nieuwe manier tot leven te brengen. Dus nu schuimen we niet de archieven, maar de musea af. We zijn recent naar Antwerpen verhuisd, dus dat is ideaal!

‘This Magnificent Cake‘, vanaf 19 december in de zalen, in een programma samen met de kortfilm Bloeistraat 11. Intussen is hij ook te zien op het Kortfilmfestival Leuven op 4/12 en 6/12 Tickets hier

Bekijk ook

Juanita Onzaga over haar poëtische kortfilm ‘Our Song To War’

Na Cannes nam de Belgisch-Colombiaanse Juanita Onzaga haar tweede kortfilm “Our Song To War” naar …